meester Henk meer voor kinderen
 
(Advertentie)
(Advertentie)
  • criminaliteit
  • inbraak
  • rechercheur
  • crimineel
  • giechelen
  • begeleiden
  • op goede voet staan met iemand
  • oprecht
  • dichten
  • schuldenaar
  • schuldeiser

Als spreker kun je iets vertellen of voordragen wat verzonnen is. Dat heet fictie. Bijvoorbeeld een verhaal, een gedicht of een toneelstuk.

 

Als spreker kun je ook iets vertellen wat niet verzonnen is. Dat heet non-fictie. Bijvcoorbeeld informatie, instructie, uitleg, een verslag of een mening.

 

Voordat je gaat vertellen, denk je na over wat je wilt zeggen. En ook over hoe je dat gaat doen. Gebruik daarbij deze W&H vragen :

  • WAT wil ik vertellen ?
  • WAAR wil ik het vertellen ?
  • WANNEER wil ik het vertellen ?
  • WAAROM ga ik het vertellen ?
  • HOE ga ik het vertellen ?

 

Als spreker kun je gebruik maken van illustraties. Bijvoorbeeld foto's, filmpjes of tekeningen. Je kunt ook voorwerpen laten zien of proefjes doen.

 

Als je spreekt, let je op stem, houding, gebaren,en spreekpauzes.

Je kunt  luisteren  naar :

  • fictie (vertellen, voorlezen, voordragen,toneespelen)
  • non-fictie (informatie, uitleg, instructie, verslag, mening)

 

Als je naar fictie luistert, let je op:

  • wat gebeurt er eerst, wat daarna ?
  • wat is het plan of het probleem ?

 

Als je naar  non-fictie luistert, let je op:

  • begrijp ik wat de spreker zegt ?
  • vind ik het onderwerp interessant ?

 

Tijdens het luisteren kun je notities maken.

 

Als luisteraar let je op de stem, houding, gebaren en spreekpauze van de spreker.

(Advertentie)
  1. verhaaltekst
  2. weettekst
  3. verslagtekst
  4. doetekst
  5. actietekst
  6. meningtekst
  • telwoorden geven
  • een hoeveelheid(getal) aan    of
  • een volgorde

 

Soms zijn die hoeveelheid en volgorde precies aangegeven, soms niet precies.

Je vindt het lijdend voorwerp door te vragen:

  • Wat (of wie) + gezegde + onderwerp
  • Wat  (of wie) wordt door het onderwerp gedaan ? (Gedaan vervang je door het juiste werkwoord)

 

Het antwoord op beide vragen is het lijdend voorwerp.

(Advertentie)

De betekenis van een woord vind je:

  • in een illustratie
  • in de tekst door vooruit of terug te lezen

uitleg in een zin

een ander woord

een voorbeeld

  • in het woord zelf door het in stukjes te verdelen

 

Als je de betekenis niet vindt, kun je die :

  • opzoeken in een woordenboek of encyclopedie
  • opzoeken  op internet
  • vragen aan een ander

De betekenis van een woord onthoud je  :

  • met een illustratie
  • met andere woorden

-woordparaplu, woordkast

-woordpad, woordpodium

-woordkaart

  • met een tekst

-verhaaltekst

-weettekst, verslagtekst

  • met een presentatie

-erover vertellen

-uitbeelden

-raadsel bedenken

(Advertentie)
(Advertentie)

Je moet de betekenis van de volgende woorden en betekenissen kennen :

  • de attractie
  • avontuurlijk
  • illustreren
  • nep
  • etcetera (etc)
  • ergens wijs uit worden
  • in levende lijve
  • een staartje hebben
  • in allerijl
  • eventueel
  • hongerstaking
  • op het eerste gezicht
  • bevriend zijn
  • achteraf
  • de buik (v e fles)
  • het hart (v e stad)
  • het hoofd (v politie bijv.)
  • de mond (v e vulkaan bijv.)
  • de voet (v e lamp bijv.)
  • verschijnsel
  • overzichtelijk
  • ongetwijfeld
  • uiteraard
  • vanzelfsprekend
  • resoluut
  • het betoog
  • babysitten

Als je een tekst schrijft, bepaal je eerst de hoofdgedachte. De hoofdgedachte geeft aan wat je over het onderwerp wilt zeggen. Het is de belangrijkste informatie  uit je tekst in één of enkele zinnen.

 

Daarna schrijf je de titel de inleiding, de alinea's  en  het slot.

(Advertentie)