Voor deze website is het gebruik van cookies vereist, klik hier voor meer informatie. later opnieuw tonen ik ga akkoord met cookies
 
  • meester Henk meer voor kinderen
    Bezoekers:
  • woordparaplu
    • In een woordparaplu staan woorden die bij elkaar horen naast elkaar. Met die woorden kun je zinnen maken. En met die zinnen kun je een tekst maken.

     

    In een woordkast zet je woorden die bij elkaar horen in rijtjes onder elkaar. Met de woorden uit elk rijtje kun je zinnen maken en met die zinnen kun je een tekst vormen.

     

    Bedenk ook een :

     

    • titel
    • inleiding
    • slot
  • vertellen over een onderwerp

    Als je over een onderwerp vertelt, kun je :

     

    • informatie geven - je vertelt wat je weet
    • verslag doen - je vertelt wat er gebeurt of gebeurd is
    • je mening geven - je zegt wat je vindt

     

    Om te bepalen op welke manier je gaat vertellen, stel je de volgende vragen :

     

    • welk onderwerp kies ik ?
    • welke informatie kan ik geven ?
    • waar  kan ik informatie vinden ?
    • waarover kan ik verslag doen ? 
    • wat is mijn mening ?
  • plan van aanpak

    Als je over een onderwerp spreekt, kun je :

     

    • informatie geven
    • verslag doen
    • je mening geven

     

    Als je kiest wat je over het onderwerp gaat zeggen, let je op :

     

    • wat wil je over het onderwerp vertellen ?
    • wat is leuk en interessant voor de luisteraar ?

     

    Daarna maak je een plan van aanpak. Daarin staat :

     

    • het onderwerp dat je kiest
    • het soort presentatie dat je kiest
    • wat je gaat vertellen
    • welk beeldmateriaal dat je laat zien
    • waar je het beeldmateriaal vandaan haalt
  • verschillende vormen van een werkwoord

    Een werkwoord kan drie vormen hebben :

     

    1. persoonsvorm
    2. deelwoordvorm
    3. woordenboekvorm

     

    In elke zin staat een persoonsvorm !!!!!!!

     

    In de voltooide tijd staan minimaal 2 werkwoorden in de zin. Je ziet een persoonsvorm van "hebben" ,"zijn" of "worden". Het andere werkwoord staat in de deelwoordvorm.

     

    Er zijn 3 groepen werkwoorden

     

    1. In de verleden tijd zet je achter de "ik -vorm"   te of de  (=zwak)

             de deelwoordvorm  eindigt op een t of d

     

    2.     In de verleden tijd verandert de klinker     (=sterk)

              De deelwoordvorm eidigt op (e)n

     

    3.     In de verleden tijd  veranderen soms meer letters (brengen-brachten;zoeken-zochten; moeten-moesten)

           De deelwoordvorm eindigt op een t, d of (e)n

  • het gezegde

    Een gezegde (in een zin) kan bestaan uit :

     

    • alleen  de persoonsvorm
    • de persoonsvorm en een deelwoordvorm
    • de persoonsvorm en één of meer woordenboekvormen
    • de persoonsvorm, een deelwoordvorm en één of meer woordenboekvormen

     

    Als het woordje te  voor een werkwoord staat, hoort het ook bij het gezegde.

     

    Soms bestaat een zin uit twee (of meerdere) zinnen, die aan elkaar zijn geplakt met een voegwoord. In dit soort zinnen staan dan ook twee (of meerdere) persoonsvormen en dus ook twee (of meerdere) gezegdes.

  • de betekenis van een woord

    Vaak kun je de betekenis van een woord afleiden uit de tekst. Soms moet je dan even :

     

    • verder lezen
    • terug lezen

     

    De betekenis van een woord kan worden uitgelegd :

     

    • met één of meer zinnen
    • ?
    • met een woord dat hetzelfde betekent
    • met een woord dat het tegengestelde betekent
    • met een voorbeeld
  • woorden en uitdrukkingen (1)
    • het appartement
    • afgelegen
    • de benenwagen nemen
    • een rijtuig
    • een oplegger
    • bestelwagen
    • koerier
    • transportmiddelen
    • touringcar
    • tandem
  • woorden en uitdrukkingen (2)
    • rumoer
    • geconcentreerd
    • halt houden
    • autodidact
    • luchthaven
    • riskant
    • conservenblikje
    • kurk
    • beschaafd
    • favoriet
    • uitvoerig

     

 
Add to Yurls