meester Henk meer voor kinderen
 
(Advertentie)
(Advertentie)

Twee zinnen kun je met elkaar verbonden door een verbindingswoord. Bijv. :

  • want
  • maar
  • of
  • omdat
  • doordat
  • indien

 

Deze verbindingswoorden noem je voegwoorden. Voegwoorden voegen zinnen samen.

 

Bij een oorzaak of reden gebruik je de voegwoorden want, omdat, doordat, daarom, daardoor.

 

Bij een tegenstelling gebruik je het voegwoord maar.

 

Als iets tegelijkertijd gebeurt, gebruik je het voegwoord terwijl.

 

Als je twee zinnen aan elkaar plakt, staat het voegwoord vaak tussen de zinnen in. Maar het kan ook vooraan staan.

De volgende woorden en uitdrukkingen moet je kennen :

  • briljant
  • jakkes
  • tegenzin
  • hoogbegaafd
  • plantage
  • criminaliteit
  • crimineel
  • inbraak
  • rechercheur
  • namiddag
  • giechelen
  • begeleiden
  • elektra
  • enigszins
  • hanteren
  • heersen
  • iets in zijn schild voeren malen
  • poëzie
  • schakelaar
  • minachtend
  • nonchalant
  • sympathie
  • uitzonderlijk
  • wissen
  • op goede voet staan met iemand
  • oprecht
  • dichten
  • schuldenaar
  • schuldeiser

Houding en gebaren spelen een belangrijke rol bij het spreken. Ze voegen iets toe aan wat je zegt. Vaak maken ze duidelijker wat je zegt of hoe je iets bedoelt.

 

Gebaren en houding samen noem je ook wel lichaamstaal.

(Advertentie)

Je stem en spreekpauzes spelen een belangrijke rol als je spreekt. Ze voegen iets toe aan wat je zegt. Goed stemgebruik en spreekpauzes op het juiste moment zorgen ervoor dat de luisteraar je beter begrijpt.

De betekenis van een woord kun je onthouden met andere woorden. Bijvoorbeeld met een woordparaplu, een woordkast, een woordpad of een woordpodium.

 

Een woordkaart maak je door te schrijven en te tekenen. Je schrijft woorden op die met het woord te maken hebben. Je maakt ook een of meer zinnen en een illustratie. Je kunt losse woorden op je woordkaart zetten, maar je kunt er ook een woordparaplu, een woordkast, een woordpad of een woordpodium op zetten.

 

(Handig voor een spreekbeurt. Je ziet presentatoren op tv ook vaak gebruik maken van woordkaarten)

Je kunt verschillende soorten teksten schrijven. Bijvoorbeeld:

  • een weettekst - een tekst met informatie
  • een meningtekst - een tekst met je mening en argumenten hiervoor
  • een doetekst - een tekst waarin stap voor stap staat hoe je iets doet
  • een actietekst - een tekst die mensen aanspoort iets te gaan doen

 

Je bedenkt van te voren aan wie je de tekst wilt laten lezen. Dit heet de doelgroep. Je bedenkt ook wat het doel van je tekst is.

 

(Advertentie)
een tekst schrijven en een plan van aanpak maken

Je kunt verschillende soorten teksten schrijven. Zie de tekst daarover hierboven.

Bij de keuze van de tekst let je op :

  • Wat is leuk of interessant ?
  • Wat wil je met het onderwerp ?
  • Met welke tekstsoort lukt dat het best ?
  • Voor wie schrijf je ?

 

Daarna maak je een plan van aanpak. Daarin staat:

  • het onderwerp dat je kiest
  • het soort tekst dat je kiest
  • wat je gaat schrijven
  • de doelgroep waarvoor je de tekst schrijft.
(Advertentie)
(Advertentie)
(Advertentie)
veranderen van een zin met een lijdend voorwerp

Met behulp van de werkwoorden worden of zijn kun je een zin veranderen. Het lijdend voorwerp uit de oude zin is het onderwerp in de nieuwe zin. In de nieuwe zin sataat het woordje door. Achter door staat het onderwerep uit de oude zin.

Er zijn verschillende soorten zinnen:

 

  • Zinnen met een mededeling. Achter deze zinnen staat meestal een punt.
  • Zinnen met een vraag . Achter deze zinnen staat een vraagteken. In vraagzinnen komt meestal eerst de persoonsvorm en daarna het onderwerp
  • Zinnen meteen gebod,een raad of bevel. Deze zinnen noem je ook wel zinnen in de gebiedende wijs. Achter deze zinnen staat vaak een uitroepteken.

        Zinnen die in de gebiedende wijs staan,

        hebben geen onderwerp. De vorm van het

        werkwoord is dezelfde als de vorm die je

        gebruikt bij ik